N&A

Elf tegen elf en de bal is rond

Apr 13, 2016 Lars Regeer

“We waren niet scherp genoeg, we spelen alleen nog maar finales en je moet schieten anders scoor je niet.” Zomaar een paar clichés die je in bijna ieder willekeurig interview met een voetbalspeler- of trainer hoort. Niet bepaald spannende televisie. Maar waar ligt dat aan? Stellen de journalisten de verkeerde vragen of weten de voetballers van tevoren alle antwoorden? Ik sprak met mediatrainer Cees Wijburg over mediatraining, de journalistiek, de clichés in het voetbal en het eeuwige mediacircus rondom Van Gaal.

De NOS probeert met Maxim Hartman de interviews aantrekkelijker te maken. Wie bij hem voor de camera staat wordt het hemd van het lijf gevraagd. Culthelden als Mark-jan Fledderus en Arjan Swinkels werden al door de sluwe presentator buitenspel gezet. Maar zitten we daar wel op te wachten? Want op journalistiek gebied gaan de interviews er niet op vooruit. “Als de interviews minder journalistiek worden is dat zonde”, aldus Wijburg. “Er wordt steeds vaker gekeken naar entertainment en niet naar het journalistieke verhaal. Voetbaljournalisten zijn vaak na een wedstrijd er op uit om een quote te scoren en dan zit hun werk er weer op. Er zijn weinig journalisten die ik de spelers zie uitdagen om een verassend antwoord te geven. Ze spelen ze in de kaart. Bovendien heeft de speler vaak helemaal geen zin hebben om met de pers te praten, het is part-of-the-job. Als je net van het veld komt en een rode kaart hebt gepakt snap ik dat je niet altijd even vrolijk de journalist te woord staat. Om er dan snel vanaf te zijn vallen ze terug in clichés.”

Dus het ligt aan de journalisten? “Dat vind ik wel. Het is hun taak om de speler te interviewen en het publiek te informeren. De speler doet echter snel zijn zegje, zodat hij ervan af is. Daarnaast speelt het karakter van de voetballer ook mee. Een Dirk Kuyt kan heel goed opschieten met de media, terwijl Hakim Ziyech vaak niet eens voor de camera verschijnt. Dat is jammer. Voor een speler die goed met de pers kan omgaan, ligt misschien wel een vervolgcarrière in het verschiet. Kijk maar naar Mario Been en Ronald de Boer.”

En de mediatrainers, zijn die schuldig aan de voorspelbare antwoorden? “Als ik naar mijzelf kijk niet. Ik vertel de spelers wat ze te wachten staat. Daarnaast geef ik mee dat ze authentiek blijven en respectvol moeten omgaan met de journalist. Tuurlijk vertel je wel wanneer ze iets niet moeten vertellen. Bijvoorbeeld als het gaat over een transfer en de club is nog in onderhandeling. Dan kan de speler beter zijn mond houden, anders heeft dat effect op de onderhandelingen. Dat zegt hij ook voor de camera. Maar het is niet zo dat wij een briefje met clichés en standaard antwoorden voor ze hebben klaarliggen.”

Hoe ziet zo’n mediatraining eruit? “Het is een klasje. Meestal wordt de inleiding gedaan door de trainer, dan leg ik ze uit hoe ze hoe ze omgaan met de media en tenslotte oefenen ze in de praktijk. De clubs huren journalisten in om de spelers te interviewen en daarbij worden ze geadviseerd. Daarnaast geef ik ook advies aan bestuurders. Vaak zitten die zo diep in de materie dat een frisse kijk de organisatie goed doet.”

Als er iemand niet goed ligt in de media is het Van Gaal wel. U kent hem goed, heeft u nooit overwogen om hem te adviseren daarin? “Nee. Dat vind ik niet nodig. Veel dingen worden juist uitvergroot in de media. Dat hoort er een beetje bij.”

Ook als hij als trainer een schwalbe nadoet bijvoorbeeld? “Dat is voer voor journalisten. Ik stoor me er ook mateloos aan dat bepaalde journalisten op zoek zijn naar de achilleshiel van Louis, die zien daar sensatie in. Maar ik zie Van Gaal min of meer als mijn voorbeeld. Van zijn communicatiestijl leer ik ontzettend veel, hoewel je kan verschillen van mening over de vorm. Het belangrijkste is dat het oprecht is. Hij is authentiek en de boodschap is duidelijk. Dat vind ik belangrijk! Ik geef dat ook altijd mee tijdens mijn trainingen. Daarnaast is die aandacht voor Van Gaals optreden in de media soms vervelend. Maar meestal kan ik er wel om lachen. Louis ook trouwens.”

U begon uw carrière als journalist. Zo werkte u onder anderen voor de NOS, NCRV en de VRT in Vlaanderen. Waarom deze switch? “Ik wilde vooral iets doen met de kennis die ik de afgelopen jaren heb verzameld. Dus toen de mogelijkheid voorbij kwam om mediatraining te gaan geven heb ik dat gedaan. Daarnaast moet je over veel meer vaardigheden beschikken dan vroeger als journalist. Van editen tot aan het presenteren: je moet het allemaal kunnen. Dan zie je dat je wordt ingehaald. Maar de kennis had ik wel om andere kanten op te gaan. Ook weet ik wat de journalist wilt hebben als mediatrainer. Het is belangrijk om vanuit beide perspectieven te kijken, anders kun je dit vak niet optimaal uitvoeren. Helaas schieten veel perschefs daarin tekort.”

U traint ook mensen uit andere vakgebieden. Zit daar eigenlijk veel verschil in? “Bij voetballers komt de emotie erbij kijken, maar in andere vakgebieden veel minder. Als ik een advocaat train die een mediaoptreden heeft, kijk ik met hem naar het verhaal dat hij wilt vertellen. Daarnaast heeft de advocaat altijd de mogelijkheid om vragen te ontwijken. Hij kan erop terugvallen dat hij alleen praat over de zaak in kwestie. Daarnaast hebben sommige personen vanuit zichzelf al een vlotte babbel. Andre Kuipers (astronaut) is zo iemand.

Geen gelul in de ruimte? “Zeker niet! André is een uitstekende spreker, zeel intellectueel ook. Het verschilt dus heel erg als mediatrainer wie je voor je hebt. Zijn doel is ook om mensen een college te geven, dat verschilt nogal van een voetballer die wordt opgeroepen voor een interview. André zal dan ook niet zo snel op clichés terugvallen.”